Proost & Brandt nv, Amsterdam - oktober 1972 - april 1974
Nadat ik in juni 1972 mijn MEAO diploma had behaald meldde ik me bij Philips in Hilversum. Ik had daar m’n stage gedaan en dacht dat er bij zo’n groot bedrijf wel een plek voor mij zou zijn. Die was er maar ik had al snel door dat mijn toekomst daar niet lag en besloot actief verder te kijken. Na een paar weken vond ik in de Volkskrant een advertentie die me wel aansprak. Kommerciële trainee met aansluitend een functie die bij je zou passen. Ik reageerde en werd uitgenodigd voor een gesprek bij Proost & Brandt in Amsterdam. Ik herinner me dat er in de hal een indrukwekkend model stond van een papiermachine, een prachtig stukje techniek en vanzelfsprekend onderwerp van gesprek. Kennelijk verliep de kennismaking goed want ik kreeg een aanstellingsbrief en op 2 oktober van dat jaar werd ik verwacht als trainee op de monsterafdeling.
De eerste dag
Bij het sollicitatiegesprek bleek dat de chef van die afdeling, mijnheer Hermsen, in hetzelfde dorp woonde als ik en hij nodigde me uit die eerste dag met hem mee te rijden naar Amsterdam. Op die maandagochtend vroeg stapte ik in zijn Opel Kadett en al rijdende vertelde hij me wat over het bedrijf en wie ik op zijn afdeling zou ontmoeten. Proost & Brandt had een eigen parkeerplaats ergens bij de Valkenburgerstraat en binnendoor liepen we van daar naar het Rusland.
De monsterafdeling was op de eerste etage en naast mijnheer Hermsen werkte daar zijn rechterhand mijnheer Watchman die door iedereen Watch genoemd werd. Ik kreeg een plek aan een bureau, een balpen en een opschrijfboek en werd aan het werk gezet met het plakken van etiketjes op papiermonsters. Ik kreeg ook een dikke catalogus waarin alle papiersoorten stonden die Proost kon leveren vanuit het eigen magazijn dat Wittenburg* bleek te heten.
Door dat plakken van die etiketjes maakte ik al snel kennis met allerlei soorten papier en tussen de bedrijven door werd regelmatig een papiercursus gegeven. Ik heb de daarbij behorende boekjes nog steeds in de kast staan. De papiermonsters hadden een afmeting die paste in een van de grijze metalen doosjes die naast elkaar in een grote kastenwand stonden. En natuurlijk moest je goed opletten dat je de juiste monsters in het juiste bakje deed. Regelmatig ging de telefoon en belde er iemand van de verkoopafdeling die vroeg om papiermonsters te sturen. Langzaam begon ik wat namen te herkennen waarvan ik sommige echt moest laten spellen om ze goed op te kunnen schrijven. Zo was daar een mijnheer Kowee, althans dat verstond ik en zo schreef ik het ook op. Ik vroeg mijn collega of ik dat juist genoteerd had en hij vertelde dat je Koe moest schrijven maar Koé moest zeggen.
Heibel
Kennelijk ging dat versturen van monsters niet altijd goed want plotseling kwam er iemand de monsterafdeling binnenstormen met de vraag wie tot drie keer toe een verkeerd papiermonster naar een klant had gestuurd. Het bleek dat de betreffende monsters ooit een verkeerd etiketje hadden gekregen. Tot overmaat van ramp waren alle monsters in dat bakje verkeerd en moesten er hele vellen bij magazijn Wittenburg worden besteld om tot monsters te worden gesneden en ge-etiketteerd. Hij was niet blij want het zou nog wel even duren voor de monsters klaar waren. Uiteindelijk werden er geen monsters maar een paar hele vellen naar de klant verzonden.
Op onregelmatige momenten kwam er een oudere heer de monsterafdeling binnen die ook een eigen bureau bleek te hebben. Dat was mijnheer Kaiser, minstens 80 jaar oud in mijn idee, een in 1956 gevluchte Hongaar. Hij sprak Nederlands met een dik accent en was bijzonder aardig. Hij deed hetzelfde werk als ons allemaal. Hij woonde ergens op de Wallen en er ging een verhaal dat hij aan yoga deed en af en toe zomaar op z’n kop ging staan. Ik heb het hem nooit zien doen.
Zo af en toe moest ik papiermonsters naar de verkoopafdeling brengen. Die was verdeeld over twee grote zalen. Een aan de voorkant aan het Rusland en de andere met zicht op de steeg aan de achterzijde, de Slijkstraat. In die zalen zaten heel veel mensen en het was, zeker in het begin, erg zoeken wie wie was en naar wie je dan die monsters moest brengen. Bijkomend probleem was dat iedereen zat te telefoneren en vaak kreeg je een gebaar van ‘leg maar op dat bureau’ en wist je nog niet of je het wel goed had gedaan.
Pauze
Aan de overkant van het Rusland was ook een gebouw dat bij Proost in gebruik was. Daar was o.a. een garage waar mijnheer Proost zijn auto parkeerde en de fietsenstalling. Ik meen dat daar boven de personeelsafdeling was en er was een kantine. Ik ben daar één keer geweest om mijn meegebrachte boterhammen op te eten maar vond het er een kale boel en meestal ging ik een stukje wandelen. Je had tussen de middag precies genoeg tijd om naar de Dam te lopen en via de Kalverstraat en het Rokin een rondje te maken. De andere kant op was het Waterlooplein ook een mooie bestemming voor een wandeling. Daar was altijd wel wat te beleven. Ik hield van de stad.
Zoals gezegd bestond mijn lunchpauze vaak uit een rondje door de stad maar er werden ook vaak broodjes gehaald bij een klein winkeltje in de straat. Heerlijke belegde broodjes kan ik me herinneren. Er kwam dan iemand met een lijstje langs die de bestelling doorbelde en ze dan later ging ophalen. En op de hoek van de Kloveniersburgwal was een piepklein restaurantje waar ik wel een pannenkoek ging eten voor ik naar school fietste.
Ik had het best naar m’n zin op de monsterafdeling en na een paar weken besloot ik de horizon te verbreden en me in te schrijven voor een cursus Cambridge Engels om mijn school-Engels te verbeteren. Die werd gegeven op de Willemsparkweg waar ik een of twee avonden in de week naartoe zou gaan. Het meerijden met mijnheer Hermsen was inmiddels verruild voor forensen met de trein. Van huis in Soest op de fiets naar station Baarn en ik wandelde dan via het Damrak en de Dam naar kantoor. Later had ik een fiets die ik stalde in de fietsenstalling op Amsterdam CS, met name ook om ’s avonds makkelijker naar school te kunnen gaan.
Een volgende stap
In de advertentie waarop ik gesolliciteerd had stond dat de periode dat je als trainee zou werken 6 maanden zou duren maar zo lang heb ik niet op de monsterkamer gewerkt. Al na een maand of 2 werd ik apart geroepen voor een gesprek want er ging iemand van de verkoop weg en kennelijk vonden ze mij geschikt om die plek in te nemen.
En zo belandde ik in die zaal met ramen aan de Slijkstraat en maakte kennis met mijnheer Heidebrink en Paul Streefkerk. Inderdaad, er waren nog duidelijke hierarchische verschillen, zeker als je net komt kijken. Naar bleek was de afdeling een afsplitsing van aanmaak fijnpapier en was de specialiteit Grafisch karton. Later werd het de afdeling Grafische Verpakkingen genoemd. Ook hier kreeg ik een eigen bureau en telefoon maar in plaats van dat de telefoontjes van binnen het bedrijf kwamen, kreeg ik plotseling klanten aan de lijn die van alles vroegen en wilden waar ik nog geen kaas van had gegeten. Ik moest de verschillende kartonsoorten leren kennen en leerde waar ze voor gebruikt werden. De papieropleiding die ik in de monsterafdeling had gekregen bleek een basiskennis te bieden en karton was daar nog niet aan de orde geweest. Ik had nog véél te leren.
Er stonden voor zover ik het me herinner maar liefst 6 bureaus bij elkaar. Drie waren er voor de verkoop en meteen ernaast zaten de inkopers voor de contacten met de fabrieken in binnen- en buitenland. Meestal toch wel in het binnenland want elke kartonfabriek had een vertegenwoordiging in Nederland. Feldmühle zat in Amsterdam, Iggesund had een kantoor ergens in de provincie. Het was heel handig om in- en verkoop zo dicht bij elkaar te hebben, de lijnen waren strikt gescheiden maar wel lekker kort.
Naast het dagelijkse contact met de klanten werd aan mij de opdracht gegeven om maandelijks een ‘gelegenheidslijst’ te maken. Dat was een lijst met restpartijen, allerlei soorten karton in afwijkende formaten waarvan misschien te veel was geproduceerd, te lang op fabrieksvoorraad stond, in een verkeerde looprichting was gesneden etc etc. De meeste lijsten vroeg ik op bij de collega’s van inkoop maar er was er ook een die ik zelf mocht bellen, De Vereenigde in Eerbeek. De lijsten kwamen doorgaans per telex binnen. Ik maakte dan een samenvatting van het aanbod en ging daarmee naar de dames van de receptie die ook de telexmachines bedienden. Al snel had ik door hoe zo’n apparaat werkte en vaak kon ik dan zelf de lijst op een ponsband zetten en vervolgens naar allerlei klanten sturen die zo’n overzicht op prijs stelden. Ik geloof niet dat het de bedoeling was dat ik dat zelf deed maar ik leerde graag en de dames vonden het leuk. Maar de lijst ging ook naar de typekamer waar de typistes er een mooi overicht van maakten dat met een begeleidend schrijven per post werd verzonden.
Ik leerde veel en snel. Zo maakte ik kennis met de dictafoon. Een kleine bandrecorder waarin je brieven dicteerde. Het was even wennen om zo’n ding te bedienen en je moest vooral duidelijk spreken. Een paar keer per dag werden de bandjes opgehaald en naar de typistes gebracht en tegen het eind van de dag kwam er dan een brievenboek met alle in twee- of drievoud uitgetikte brieven en offertes die getekend moesten worden. Een exemplaar ging naar de postkamer, eentje hield je zelf en de derde ging naar het archief. En soms zat er een half geschreven brief bij, dan was ik begonnen met inspreken maar halverwege afgeleid door de telefoon of iets anders en had ik er later niet meer aan gedacht om hem af te maken.
Verhuizen
Het was best lawaaierig op de afdeling. Allemaal stalen bureaus, vlak bij elkaar en op een harde linoleum vloer met overal bellende en pratende collega’s. Daar kwam op enig moment verandering in toen bekend werd dat we zouden gaan verhuizen. Niet weg van het Rusland maar binnen het gebouw naar de tweede etage. Daar was vroeger de binderij geweest en die was al lang geleden vertrokken naar de Spaklerweg, vlak bij de Bijlmerbajes. De tweede etage werd helemaal opgeknapt en we kregen allemaal nieuw meubilair. Alleen was er niet aan nieuwe stoelen gedacht dus op de dag van de verhuizing pakte iedereen z’n eigen stoel en sjouwde die naar boven. De bureaus waren in blokken van 4 geplaatst met tussen de blokken een halfhoge kastenwand zodat elke werkplek een eigen kast had. Het werd een soort kantoortuin maar best wel ruim opgezet. In plaats van in twee verschillende zalen zat iedereen vanaf nu in dezelfde grote ruimte. Een groot verschil was ook dat er nu vaste vloerbedekking in plaats van linoleum op de vloer lag en dat scheelde 100% in de geluidsoverlast. Maar die oude stoelen pasten niet zo in het plaatje en … ze schoven niet op de vloerbedekking. We kregen ook nieuwe telefoons die met z’n vieren bij elkaar stonden, midden op het kruispunt van de 4 bureaus. Paul stuurde mij meteen naar de monsterkamer om daar 4 velletjes gekleurd JAC stickers te halen, 4 verschillende kleuren waarmee zowel het toestel als de hoorn werden beplakt. Het bleek namelijk nog wel eens dat een hoorn ‘per ongeluk’ op het verkeerde toestel werd gelegd …..
De mensen
Op de afdeling had ik natuurlijk het meeste contact met Paul Streefkerk. Hij werkte al vele jaren bij Proost, kende iedereen en wist van de hoed en de rand. Ik heb heel veel van hem geleerd. Zijn en mijn baas was Willem Heidebrink, hoewel ik hem nooit met Willem heb aangesproken. Er was toen nog een duidelijk verschil. Heidebrink was niet zo veel op kantoor, Hij was veel onderweg, soms samen met een van de vertegenwoordigers, bij klanten, de grote cartonnagebedrijven. Mijn bureau stond naast dat van hem en als hij er was begon hij altijd met een paar guldens uit z’n broekzak te halen om die op mijn bureau te leggen. Hij parkeerde zijn auto, een gele Toyota Corolla, meestal in de buurt langs de gracht en ik moest dan regelmatig even de meter gaan bijvullen. Willem was meestal opgewekt en liep altijd deuntjes te neuriën. Het verhaal ging dat hij liedjes schreef en er eentje voor Toon Hermans had gemaakt maar of dat waar is weet ik niet. Hij woonde in Hoevelaken en heeft mij na een late avond wel eens thuisgebracht. Op de afdeling kregen we later versterking van Ad Bazelmans die oorspronkelijk uit de omgeving van Eindhoven kwam.
Nick Frese was hoofd inkoop. Ik was een beetje bang voor hem. Hij had een harde stem en als hij in de grote kantoortuin met fabrikanten belde ging dat er vaak niet zachtzinnig aan toe. Hij was veel op reis en als hij op kantoor was gingen Willem Heidebrink en hij wel voor de lunch naar ‘de overkant’, waarmee literair café de Engelbewaarder op de Kloveniersburgwal werd bedoeld. Ook Jan Michielse van de reclameafdeling was dan deel van het gezelschap. Ze hadden veel te bespreken en waren niet altijd meteen na de lunch weer terug. Ik werd er dan wel eens op uitgestuurd om Willem te gaan vertellen dat er klanten gebeld hadden die hem wilden spreken. Mobiele telefoons waren er nog niet.
Naast rechtstreeks contact met de klanten had ik ook contact met de verkoopkantoren die Proost in het land had. Ik herinner met vooral het kantoor in Rotterdam. Een paar keer per jaar kwamen alle vertegenwoordigers naar Amsterdam om bijgepraat te worden. En natuurlijk kwamen ze dan allemaal even bij ons langs om te kijken wie ‘dat nieuwe jong’ dan wel was. Ik had ze soms aan de telefoon en dan had je toch een bepaalde indruk van iemand. Verrassend was het dan dat het in werkelijkheid hele andere mensen waren dan ik me had voorgesteld.
Doordat nu alle in- en verkoopafdelingen bij elkaar zaten was er veel meer onderling contact. Zo leerde ik allerlei collega’s kennen, Jan Willems en Geerlof v.d. Haak en mijnheer Parson van het pakpapier, Jaap Neele die altijd met vervoerders in de weer was en Willy en Ilse van verkoop Magazijn. Peter Koudstaal en Bert Schröder die op de verkoop administratie werkten en natuurlijk Ariaan de Waard die vlak na mij in dienst gekomen was en waarmee ik dagelijks contact had omdat hij inkoper van onze afdeling was en aan de andere kant van de kast zat.
Jan Pelser is ook iemand die ik niet snel zal vergeten. Op enig moment had ik er genoeg van om bij mijn ouders te wonen en dagelijks 2 keer minstens een uur te reizen zodat ik na een paar maanden liet weten dat ik op zoek was naar een kamer in Amsterdam, die vinden was ook toen al een probleem. Er is toen zelfs nog even sprake van geweest een 5-kamerflat in de Bijlmer te huren om daar met een paar collega’s te gaan wonen. Toen Jan Pelser me vroeg of ik in Haarlem zou willen wonen sprak me dat zeker aan. Haarlem is een leuke stad, dicht bij strand en duinen en naar Amsterdam was het korter dan vanuit Soest. Jan had een grote kamer vrij en zo belandde ik op kamers in de Haarlemse Iordensstraat. Mijn fiets verhuisde van Soest mee naar Haarlem en ik paste op de kinderen, speelde met de huiskat, genoot van de vrijheid, fietste naar Zandvoort en was blij min of meer op mezelf te zijn.
Ik had het erg naar m’n zin bij Proost, voelde me er thuis en deed mee aan de uitjes die georganiseerd werden. We bezochten een papierfabriek in Duitsland waar we verwelkomd werden en meteen de fles Schnapps open ging! En na de rondleiding kregen we allemaal een pak A4 papier mee. Ik herinner me ook het vissen op zee vanuit de haven van IJmuiden, een voetbaltoernooi in Muiderberg en een groot feest op de bovenste etage van Rusland.
Verandering
Maar ik wilde graag meer met m’n talenten doen en eigenlijk een poos naar het buitenland. In het voorjaar van 1974 kreeg ik een tip dat er op een camping in Lacanau, Frankrijk waar veel Nederlanders kwamen en ikzelf ook vaak met vakantie was geweest, gezocht werd naar een Nederlander die het zomerseizoen in de receptie zou komen werken. Het salaris was goed, de fooienpot nog beter en er was een eigen kamer. Kost en inwoning waren gratis en het zou mij de gelegenheid geven m’n talen in te zetten en een zomer buiten te zijn.
Ik vertelde Willem dat ik zou gaan opzeggen en werd vervolgens bij Sepp v.d. Herberg geroepen die me voorhield dat dat toch wel een heel onzekere stap zou zijn en ik toch echt wel beter bij Proost zou moeten blijven. Maar ik had mijn plan gemaakt, Frankrijk laten weten dat ik op 1 mei zou beginnen en op 15 april van dat jaar nam ik afscheid van de collega’s en vertrok met de belofte later toch zeker weer even te komen buurten. Ik heb die zomer alles gedaan wat er zoal op de camping te doen was. Ik had de tijd van m’n leven, leerde door de contacten met de Franse collega’s dagelijks beter Frans spreken en fungeerde als tolk voor de Nederlandse, Duitse en Engelse campinggasten. Ik heb daar in m’n latere carrière erg veel voordeel van gehad.
Toen ik in september terug kwam in Nederland ben ik, zoals beloofd, op een dag teruggegaan naar het Rusland. Het was een aangenaam weerzien hoewel er wel een beetje vreemd werd gekeken naar mijn lange haar en informele kleding, jasje en dasje was toen het gebruikelijke ‘uniform’ op kantoor. Mijn plek was nog vrij en ik zou zo weer kunnen beginnen. Maar dat was niet mijn bedoeling. Ik was al van plan nog langer in het buitenland te verblijven en als ik daarvan terug kwam ‘moest ik zeker wéér langskomen om te praten’ zei mijnheer v.d. Herberg want Nick Frese wilde me eigenlijk wel in zijn team hebben werd me verteld.
In het voorjaar van 1975 kreeg ik een brief van mijn vader (ik was op dat moment in Israel) met het bericht dat zijn compagnon met pensioen zou gaan en dat hij graag zou zien dat ik bij hem op kantoor zou komen werken. Hij had een groothandel in kunststof platen en folies, die o.a. aan zeefdrukkerijen werden geleverd. Daarnaast had hij een handel in papier voor kunstenaars, architecten en technisch tekenaars onder zijn hoede genomen en hij dacht dat mijn kennis daarbij wel van pas zou kunnen komen.
Ik heb na terugkomst in Nederland het aanbod van Proost en dat van mijn vader naast elkaar gelegd en, ondanks dat me bij Proost een mooie toekomst werd voorspeld, toch gekozen om bij mijn vader te gaan werken omdat ik vond dat hij me harder nodig had. Ik bleef toch min of meer in het grafische vak dat ik mooi vind, kwam bij drukkerijen en andere bedrijven over de vloer, reisde over de wereld naar leveranciers en kon daarbij veel van de bij Proost opgedane kennis en ervaring gebruiken. Het bleek de juiste beslissing, het is mij goed gegaan en ik ben 35 jaar bij het bedrijf gebleven en heb er als DGA afscheid genomen.
Geschiedenis
Vorig jaar vond ik bij toeval het boek dat geschreven is over 250 jaar Proost & Brandt. Ik heb het in een ruk gelezen. Ik kreeg ook de papiercollectie uit de tijd dat ik bij Proost werkte en die staat nu in de kast in mijn werkkamer samen met de studieboeken over papier en drukken en een klein boekje dat ter gelegenheid van de verhuizing naar Diemen was gemaakt. In de loop van de jaren waren er toch telkens weer mensen en situaties die me terug deden denken aan die anderhalf jaar dat ik op het Rusland werkte. Het deed me pijn te horen en lezen dat het bedrijf ten onder is gegaan. Erg jammer dat dat gebeurd is.
Wat ik tijdens het schrijven bedacht is, dat ik mijnheer Proost nooit gezien heb in de tijd dat ik er werkte. Ik wist wanneer hij op kantoor was want ik zag zijn donkere Volvo 164 in de garage waar ik ook mijn fiets kon stallen, maar ik heb hem nooit ontmoet. Maar wat een mooie auto vond ik dat. Zou dat het zaadje zijn geweest dat mij later zo met het merk Volvo (dat ik al onafgebroken sinds 1992 rijd) zou verbinden ?
We zijn nu zo’n 50 jaar later en ik vraag me wel eens af hoe het, met name Willem Heidebrink en Paul Streefkerk, maar ook andere collega’s vergaan is. Veel namen was ik vergeten maar de genoemde boeken alsook Facebookgroep van oud-medewerkers bracht me er weer verschillende in herinnering.
*grappig detail is dat ik later iemand in dienst zou nemen die op Wittenburg was opgegroeid.
De advertentie in de Volkskrant
Het dicteerapparaat
De administratie - foto Jan Pelser
Collega's
Zeevissen op 23 juni 1973
Voetballen in Muiderberg
Feest op zolder met de band van Jaap Neele
De Papiercollectie in mijn boekenkast
Winnen met papier, 250 jaar Proost & Brandt
Reactie plaatsen
Reacties
Herkenbaar verhaal. Van 1967 tot 1977 verkoop magazijn en specialiteiten gewerkt. Gewoond op kloveniersburgwal 58, eigendom proost en brandt